De wet DBA zorgt juist voor duurdere schijnzelfstandigheid en ~zekerheid

Dat klinkt ongenuanceerd, maar door gedwongen te werken via een zogenaamde broker of intermediair betekent in de regel een hogere vergoeding voor hetzelfde werk. Dat is interessant voor brokers, maar niet persé voor ZZP-er en opdrachtgevers.

Bovendien is het aannemen van klussen van over een langere periode bij eenzelfde broker toch net zo goed een vorm van schijnzelfstandigheid? Alleen is het juridisch dusdanig handig verankerd dat niemand er aandacht aan besteedt.

Wie is er nu uiteindelijk mee geholpen? De opdrachtgevers? Ja, allicht, maar met een minder aantrekkelijk prijskaartje. Stel je leidt een grote organisatie met meer dan 10k werknemers en  huurt 1000 ZZP-ers in om al het werk te realiseren. Deze ZZP-ers werken gemiddeld 20 uur per week, zeg 900 uur per jaar. Vanwege de wet DBA worden de ZZP-ers met zachte hand gedwongen om via een broker te werken. Deze rekent gemiddeld € 10,- per uur extra als fee (geen onrealistisch gemiddelde). Dan zijn de extra uitgaven voor die organisatie al snel 9 miljoen euro.

Met die 9 miljoen koop je als organisatie het gevoel dat het risico op schijnzelfstandigheid beter beheersbaar is. Dat is een pittige verzekeringspremie terwijl de uitkomst van de verzekering allesbehalve voorspelbaar is. In assetmanagement terminologie: wat is de toegevoegde waarde per euro of hoeveel risico wordt er per euro gereduceerd?

Een broker beheert contracten, gebruikt modelovereenkomsten, bouwt dossiers op en controleert de administratie, maar er verandert aan de feitelijke situatie helemaal niets. De belastingdienst beoordeeld vooral hoe er in de praktijk wordt gewerkt. Als de werkzaamheden kenmerken hebben van een dienstverband kan nog steeds schijnzelfstandigheid worden vastgesteld.

Blije opdrachtgevers

Zolang het werk niet anders wordt georganiseerd verandert het werken via brokers niets aan het risico op schijnzelfstandigheid.

Dat betekent resultaatverantwoordelijke opdrachten (niet enkel op papier), een tijdelijke capaciteitsinvulling en een specialistische expertise die aantoonbaar zelfstandig opereert.

Er zijn vele zeer bekwame brokers met interessante opdrachten waarvoor je als zzp-er zelf geen acquisitie hoeft te doen. Brokers verminderen vooral administratieve en juridische onzekerheid, maar lossen niet automatisch de onderliggende oorzaken van schijnzelfstandigheid op.

Misschien komt er een moment dat de zachte hand mij ook zal dwingen wanneer de angst voor schijnzelfstandigheid ervoor gaat zorgen dat opdrachtgevers minder en minder rechtstreeks contracten aangaan. Terwijl ze nu heel blij met mij zijn.

wet DBA

Netcongestie laat zien waar infrastructuur werkelijk over gaat

Wat netcongestie ons leert over de sociale waarde van infrastructuur

In 2018 bracht de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) een bundel uit over het sturen op sociale waarde van infrastructuur. Destijds leek het voor velen een interessante verbreding van een vooral technische discussie. Wegen, spoorlijnen, energie- en watersystemen werden niet langer alleen bekeken als fysieke voorzieningen, maar als dragers van maatschappelijke waarde.

Vandaag de dag blijkt hoe vooruitziend dat inzicht was.

Wat in 2018 voor velen nog een theoretische waarschuwing leek, is in 2026 dagelijkse praktijk geworden. Niet omdat infrastructuur wezenlijk is veranderd, maar omdat de schaarste zichtbaar is geworden. Pas wanneer capaciteit tekortschiet, worden de maatschappelijke keuzes zichtbaar die infrastructuur altijd al heeft bevat. De WRR wees bovendien niet alleen op het belang van sociale waarde, maar ook op het ontbreken van voldoende mechanismen om maatschappelijke effecten en de toenemende vervlechting van infrastructuren expliciet mee te nemen in besluitvorming.

Want terwijl bestuurders, assetmanagers en beleidsmakers worstelen met woningbouw, klimaatadaptatie, energietransitie en verduurzaming, is ook het begrip netcongestie publiekelijk tastbaar geworden. Bijvoorbeeld in Utrecht.

De meeste gesprekken gaan daarbij over kabels, transformatoren en investeringsprogramma’s. Maar netcongestie is niet uitsluitend een technisch capaciteitsprobleem. Juist wanneer capaciteit schaars is, wordt zij ook een vraagstuk van publieke waarde en het verdelen van rechtvaardigheid.

een ongemakkelijke vraag

In een wereld van overvloed hoeven we nauwelijks keuzes te maken. Als er ruimte genoeg is op het elektriciteitsnet, krijgt iedereen een aansluiting.

Maar schaarste verandert alles.

Stel dat er capaciteit beschikbaar komt voor slechts één ontwikkeling: een nieuw bedrijventerrein of een woonwijk, een zorginstelling of een datacenter. Wie en wat krijgt er dan voorrang?

Het antwoord staat niet in een ontwerptekening van een netbeheerder maar ligt juist besloten in maatschappelijke waarden.

Daarmee zijn we precies beland op het terrein dat de WRR acht jaar geleden beschreef: infrastructuur is nooit alleen infrastructuur. Het bepaalt wie kan deelnemen aan de samenleving en wie niet.

infrastructuur is nooit neutraal

De geschiedenis laat zien dat infrastructuur altijd winnaars en verliezers creëert. Een nieuwe spoorverbinding kan een regio laten opbloeien terwijl een andere achterblijft. Een ontbrekende brug kan een gemeenschap isoleren en een waterkering beschermt sommige gebieden beter dan andere. Een snelle internetverbinding creëert kansen die elders ontbreken.

Toch beschouwen we infrastructuur vaak als iets neutraals. Alsof het slechts een technische voorziening is die objectief en waardevrij functioneert. Dat is niet waar.

Infrastructuur is een verdelingsmechanisme van kansen.

En dat geldt vandaag meer dan ooit voor energie. En misschien geldt dat vandaag wel sterker dan ooit. De WRR waarschuwde in 2018 al dat infrastructuren steeds meer met elkaar vervlochten raken. Energie, mobiliteit, telecommunicatie en digitale platformen ontwikkelen zich steeds meer tot één samenhangend systeem.

Netcongestie raakt daardoor allang niet meer alleen de beschikbaarheid van elektriciteit. Het beïnvloedt woningbouw, verduurzaming, laadinfrastructuur, economische ontwikkeling, digitalisering en uiteindelijk zelfs de manier waarop mensen kunnen deelnemen aan de samenleving.

De vraag wie toegang krijgt tot het net is daarmee ook de vraag wie toegang krijgt tot de toekomst.

assetmanagement op een kruispunt

Voor assetmanagers voelt netcongestie soms als een technisch capaciteitsprobleem.

Begrijpelijk, want ze zijn en worden opgeleid om te denken in prestaties, risico’s en kosten.

Ze willen weten waar de knelpunten zitten en welke investeringen nodig zijn om die op te lossen. En natuurlijk hoe betrouwbaar een systeem blijft als bepaalde risico’s zich voordoen.

Dat blijft belangrijk, maar het zal steeds minder voldoende zijn. Want achter iedere technische keuze schuilt een maatschappelijke keuze. Assetmanagement verschuift daarmee van een discipline die assets optimaliseert naar een discipline die maatschappelijke keuzes zichtbaar maakt.

Wanneer een netbeheerder investeert in een bepaald gebied, profiteren sommige groepen eerder dan andere en wanneer een gemeente prioriteit geeft aan woningbouw, beïnvloedt dat de ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven. Het reserveren van capaciteit voor strategische functies heeft als resultaat dat andere initiatieven moeten wachten.

Assetmanagement verschuift daarmee van een discipline die assets optimaliseert naar een discipline die maatschappelijke keuzes zichtbaar maakt. En dat vraagt om een ander (politiek) gesprek.

AI impressie over keuzes maken waar stroom naartoe gaat
de blinde vlek van efficientie

Veel besluitvorming in de infrastructuurwereld is gebouwd op efficiëntie. Dat klinkt logisch. We willen immers zoveel mogelijk resultaat behalen met de beschikbare middelen.

Maar netcongestie confronteert ons met een ongemakkelijke werkelijkheid. Efficiëntie vertelt ons hoe we schaarse capaciteit optimaal kunnen benutten. Zij vertelt ons niet wie daarvan zou moeten profiteren.

Daarmee verschuift de discussie van techniek naar maatschappelijke rechtvaardigheid. Niet: hoe halen we het meeste uit het net? Maar: voor wie willen we het meeste uit het net halen?

Dat is misschien wel de belangrijkste assetmanagementvraag van de komende tien jaar.

En het is een politiek bestuurlijke vraag.

Een volgende volwassenheidstap

Binnen assetmanagement hebben we de afgelopen decennia enorme vooruitgang geboekt.

We zijn beter geworden in:

  • risicogestuurd werken;
  • prestatiemanagement;
  • levensduurkosten;
  • betrouwbaarheid;
  • datagedreven besluitvorming.

Maar de uitdagingen van deze tijd vragen om een volgende stap. Naast het sturen op de waarde van assets en organisatiewaarden moet er expliciet gestuurd worden op maatschappelijke waarde.

Dat betekent dat assetmanagers die werken binnen infrastructuur vaker vragen gaan stellen zoals:

  • Wie profiteert van deze investering?
  • Wie profiteert niet, of minder?
  • Welke maatschappelijke effecten worden gerealiseerd?
  • Welke groepen worden geraakt door uitstel?
  • Welke keuze draagt het meest bij aan brede welvaart?

Dat zijn geen zachte vragen, maar de nieuwe kernvragen van professioneel assetmanagement.

de les van wrr

Achteraf bezien was de observatie van de WRR fundamenteler dan destijds misschien werd beseft.

Sociale waarde hoeft niet te worden toegevoegd aan infrastructuurbeleid. Infrastructuur ontleent haar bestaansrecht juist aan de maatschappelijke waarde die zij mogelijk maakt. De asset is nooit het doel, maar altijd een middel.

Een weg gaat niet over asfalt. Een elektriciteitsnet gaat niet over kabels. Een waterkering gaat niet over beton.

Ze gaan over bereikbaarheid, veiligheid, gezondheid, economische ontwikkeling en de mogelijkheid voor mensen om mee te doen in de samenleving.

Juist daarom is netcongestie zo’n relevant vraagstuk. Het maakt zichtbaar wat jarenlang verborgen bleef. De discussie gaat niet langer over de capaciteit van het net, maar over de maatschappelijke activiteiten die daardoor wel of niet kunnen plaatsvinden.

Kan een woonwijk worden gebouwd of kan een bedrijf verduurzamen? Kan een zorginstelling uitbreiden of kan een energiecoöperatie haar plannen realiseren?

Netcongestie legt daarmee een ongemakkelijke waarheid bloot: infrastructuur verdeelt kansen.

Er is weinig discussie over dat de oplossing deels ligt in nieuwe kabels, transformatoren en stations. Maar zelfs als alle investeringsprogramma’s sneller worden gerealiseerd dan ooit voor mogelijk werd gehouden, blijft één vraag bestaan:

“Wie krijgt voorrang wanneer capaciteit schaars is?“

Dat is meer dan een technische vraag; het is vooral een vraag over publieke waarde.

Het antwoord daarop ontstaat uit maatschappelijk debat, bestuurlijke keuzes en een gedeeld beeld van publieke waarde. De verleiding zal groot zijn om schaarse capaciteit toe te kennen aan partijen met de grootste economische waarde, de sterkste lobby of de meeste bestuurlijke invloed. Juist daarom wordt het steeds belangrijker om expliciete maatschappelijke afwegingskaders te ontwikkelen. Zonder een bewust gesprek over publieke waarde ontstaat het risico dat keuzes impliciet worden gemaakt, zonder dat zichtbaar wordt wie daarvan profiteert en wie de rekening betaalt.

Voor assetmanagers ligt daar evengoed een prachtige uitdaging. Niet langer alleen het beheren van infrastructuur, maar het expliciet maken van de maatschappelijke gevolgen van keuzes. Niet alleen sturen op prestaties, risico’s en kosten, maar ook op de maatschappelijke waarde die daarmee wordt beschermd of gecreëerd.

Dat is assetmanagement in zijn meest volwassen vorm.

Infrastructuur draait uiteindelijk om mensen

Over sociale waarde, risico’s en de keuzes achter onze infrastructuur

De afgelopen jaren heeft het begrip sociale waarde een opvallende opmars gemaakt binnen de wereld van infrastructuur, assetmanagement en publieke investeringen. In beleidsstukken, onderzoeksrapporten en aanbestedingen wordt steeds vaker gesproken over maatschappelijke waarde, brede welvaart, leefbaarheid en publieke impact. Daarmee lijkt sociale waarde zich te ontwikkelen tot een nieuwe dimensie naast de klassieke stuurvariabelen prestaties, risico’s en kosten.

Maar is dat eigenlijk wel zo?

De suggestie dat sociale waarde een extra dimensie vormt, impliceert namelijk dat zij iets toevoegt aan een bestaand model. Alsof assetmanagement jarenlang volledig was en er nu een vierde as wordt toegevoegd aan de al bekende driehoek van prestaties, risico’s en kosten.

Dat beeld verdient nuancering. Want wanneer we de vraag stellen waarom infrastructuur überhaupt bestaat, komen we al snel tot een andere conclusie. Een brug wordt niet gebouwd om een bepaalde technische beschikbaarheid te behalen. Een tunnel wordt niet aangelegd zodat inspecteurs periodiek een conditiecijfer kunnen vaststellen. En een waterkering wordt niet onderhouden omdat beton en staal nu eenmaal onderhoud behoeven.

Deze assets bestaan omdat ze waarde leveren aan de samenleving.

Ze maken bereikbaarheid mogelijk en verbinden mensen met werk, onderwijs en zorg. Economische activiteit wordt ondersteund. Ze beschermen inwoners tegen overstromingen en ze dragen bij aan veiligheid, leefbaarheid en maatschappelijke stabiliteit.

Vanuit dat perspectief is sociale waarde geen aanvullend element van assetmanagement.

Sociale waarde is juist het doel waarvoor assetmanagement bestaat.

De echte vraag is daarom niet hoe we sociale waarde als extra dimensie kunnen toevoegen aan onze besluitvorming. De vraag is hoe we zichtbaar maken dat die maatschappelijke waarde altijd al centraal had moeten staan. Juist daar blijkt de bedrijfswaardenmatrix een cruciale rol te spelen.

de valkuil van technisch denken

Wanneer er wordt gesproken over de Nederlandse infrastructuur, gaat het vaak over beton, staal, asfalt en geld. We discussiëren over onderhoudsachterstanden, vervangingsopgaven, storingen, degradatiecurves en budgetten. Dat is logisch, want de technische opgave is enorm en de financiële belangen zijn groot.

Toch ontstaat er een risico wanneer infrastructuur uitsluitend vanuit die invalshoek wordt beschouwd. Want niemand bouwt een brug om een brug te hebben en niemand legt een weg aan omdat asfalt op zichzelf waarde heeft. Een brug die perfect voldoet aan alle technische eisen, maar geen enkele maatschappelijke functie vervult, heeft uiteindelijk weinig bestaansrecht.

De werkelijke waarde van infrastructuur zit niet in het object zelf, maar in de maatschappelijke functies die het object mogelijk maakt. Dat inzicht lijkt vanzelfsprekend, maar heeft verstrekkende gevolgen voor de manier waarop we investeringen, onderhoud en vervangingen beoordelen.

Sociale waarde is geen zachte factor

Sociale waarde wordt soms weggezet als iets abstracts. Iets moeilijks. Iets dat thuishoort in beleidsdiscussies maar niet in de wereld van assetmanagement. Dat is opmerkelijk omdat veel van de begrippen waarmee assetmanagers dagelijks werken minstens zo abstract zijn.

Veiligheid kan bijvoorbeeld niet letterlijk worden gemeten. Daarvoor gebruiken we indicatoren.

Reputatie berekenen? Ga er maar aanstaan. Dat is niet te doen en dus maken we inschattingen. Evengoed werken we met scenario’s en aannames om de toekomstige financiële schade van een gebeurtenis te duiden.

Hetzelfde geldt voor maatschappelijke waarde.

Bereikbaarheid, leefbaarheid, inclusiviteit, gezondheid, economische vitaliteit en vertrouwen zijn allemaal aspecten van waarde die zichtbaar worden in de samenleving. Ze zijn misschien niet altijd direct meetbaar met een schuifmaat of een sensor, maar dat maakt ze niet minder reëel.

Sterker nog: uiteindelijk bepalen juist deze effecten of infrastructuur haar maatschappelijke functie vervult.

De bedrijfswaardenmatrix als vertaling van wat belangrijk is

Hier komt de bedrijfswaardenmatrix in beeld.

In veel organisaties vormt deze matrix het fundament onder risicomanagement en besluitvorming. Mogelijke gebeurtenissen worden niet alleen beoordeeld op hun kans van optreden, maar vooral op hun impact op de waarden die een organisatie belangrijk vindt.

Denk daarbij aan:

  • Veiligheid
  • Financiële impact
  • Beschikbaarheid
  • Imago en vertrouwen
  • Wet- en regelgeving
  • Duurzaamheid
  • Maatschappelijke impact

Op het eerste gezicht lijkt dit een technisch hulpmiddel om risico’s te classificeren, maar in werkelijkheid doet de matrix iets veel belangrijkers: ze maakt expliciet wat een organisatie belangrijk vindt en vertaalt abstracte publieke waarden naar concrete afwegingen.

Een defecte brug wordt daardoor niet alleen beoordeeld op herstelkosten of technische schade. Er wordt ook gekeken naar de gevolgen voor bereikbaarheid, economische activiteit, leefbaarheid, veiligheid en vertrouwen.

Met andere woorden: naar de gevolgen voor maatschappelijke waarde.

Sociale waarde hoeft dan niet meer als afzonderlijk model naast assetmanagement te worden geplaatst omdat het in een goede bedrijfswaardenmatrix wordt geïntegreerd als breed toepasbaar richtinggevend afwegingskader.

Risico als potentiële vernietiging van waarde

Vanuit dit perspectief krijgt ook het begrip risico een diepere betekenis. Traditioneel definiëren we risico als kans maal gevolg. En die gevolgen raken rechtstreeks aan de bedrijfswaarden en aan alles wat de organisatie belangrijk vindt.

Wanneer maatschappelijke impact en duurzaamheid onderdeel uitmaken van die bedrijfswaarden, wordt risico feitelijk een maat voor de potentiële vernietiging van maatschappelijke waarde.

Dat verandert de betekenis van risicomanagement fundamenteel. Een risicomatrix is dan niet langer uitsluitend een technisch instrument en hulpmiddel, maar een mechanisme om de waarden van de samenleving te beschermen.

Dat kan je als volgt definiëren: “risico is niets anders dan de mogelijkheid dat maatschappelijke, operationele, financiële of duurzaamheidswaarde verloren gaat of juist toeneemt door onzekerheid.”

Of zoals de ISO 55000 dat definieert: “risico is het effect van onzekerheid op doelstellingen.”

de vervanginsopgave in een ander licht

Dit inzicht sluit aan op de discussie rond de Nederlandse vervangingsopgave waar het nieuws de laatste tijd vol van staat.

De komende decennia zullen veel bruggen, wegen, sluizen en tunnels het einde van hun oorspronkelijke ontwerplevensduur bereiken. Dat leidt regelmatig tot het beeld van een onvermijdelijke vervangingstsunami.

Maar zoals eerder betoogd in een ander artikel, ontstaat die tsunami vooral wanneer leeftijd wordt verward met noodzaak.

Een assetmanager die uitsluitend naar bouwjaren kijkt, ziet een vervangingsvraagstuk. Een assetmanager die naar risico’s kijkt, ziet een prioriteringsvraagstuk en een assetmanager die naar bedrijfswaarden kijkt, ziet een maatschappelijke opgave.

Dan verschuift de vraag van:

“Welke asset is het oudst?”

naar:

“Welke asset vertegenwoordigt de grootste maatschappelijke waarde en welk risico lopen we die waarde te verliezen?”

Dat leidt vaak tot andere prioriteiten. Niet de technische conditie alleen bepaalt dan de urgentie. De maatschappelijke betekenis van een asset wordt minstens zo belangrijk.

NB. De afgelopen twee jaar voerde ik een opdracht uit voor Rijkswaterstaat die precies een antwoord op die vraag geeft. Netwerkschakels geprioriteerd op basis van toegevoegde waarde bij een gegeven prestatie en verondersteld risico waarbij de bedrijfswaardenmatrix het afwegingskader vormt.

Duurzaamheid als bescherming van toekomstige waarde

Duurzaamheid – als voorbeeld – wordt vaak behandeld als een afzonderlijke beleidsambitie. Maar vanuit assetmanagement kan zij net zo goed worden gezien als het beschermen van maatschappelijke waarde op de lange termijn.

Klimaatverandering, grondstoffen-schaarste, emissies en circulariteit beïnvloeden immers rechtstreeks de waarde die toekomstige generaties aan infrastructuur kunnen ontlenen.

Een volwassen bedrijfswaardenmatrix brengt die belangen samen. Niet als losse beleidsdoelen, maar als integraal onderdeel van dezelfde besluitvorming.

Verschuiving van beheer naar beschermen van waarde

De discussie over sociale waarde hoeft daarom niet te leiden tot nieuwe modellen, extra dashboards of aanvullende managementlagen. Veel organisaties beschikken al over een krachtig instrument om maatschappelijke belangen expliciet onderdeel te maken van hun besluitvorming: de bedrijfswaardenmatrix.

Wanneer veiligheid, beschikbaarheid, duurzaamheid, financiële continuïteit, reputatie en maatschappelijke impact daarin op een evenwichtige manier zijn verankerd, ontstaat een afwegingskader waarmee risico’s niet langer alleen worden beoordeeld op hun technische gevolgen, maar op hun effect op de waarden die een organisatie wil beschermen.

Daarmee verschuift assetmanagement van het beheren van objecten naar het beschermen van waarde.

Bruggen, wegen, tunnels en waterkeringen zijn immers nooit het doel geweest. Zij vormen slechts de middelen waarmee maatschappelijke functies worden gerealiseerd. De samenleving is uiteindelijk de reden waarom deze assets bestaan.

Als er al een vierde dimensie is, dan zou de focus moeten liggen op sociale veiligheid.

Wanneer maatschappelijke waarde centraal staat, ontstaat automatisch de vraag welke maatschappelijke voorwaarden nodig zijn om die waarde daadwerkelijk te realiseren. Daarmee komen we uit bij een onderwerp dat in assetmanagement verrassend weinig aandacht krijgt: sociale veiligheid.

Niet omdat sociale veiligheid losstaat van maatschappelijke waarde, maar omdat zij zichtbaar maakt hoe infrastructuur het dagelijks functioneren van mensen beïnvloedt. Hoe veilig voelen inwoners zich wanneer vitale infrastructuur uitvalt? Hoe kwetsbaar wordt een samenleving wanneer bereikbaarheid afneemt, voorzieningen verdwijnen of vertrouwen in publieke systemen afbrokkelt? En hoe verhouden technische risico’s zich tot het gevoel van zekerheid dat burgers van hun overheid mogen verwachten?

Maar sociale veiligheid reikt verder dan de wereld buiten de organisatie.

Misschien is de meest onderschatte vraag wel of de organisaties die verantwoordelijk zijn voor infrastructuur zelf sociaal veilig genoeg zijn om goede besluiten te nemen.

In een sociaal onveilige organisatie worden afwijkende meningen minder snel uitgesproken. Risico’s worden soms afgezwakt in plaats van benoemd. Twijfels verdwijnen uit rapportages. Kritische signalen uit inspecties of onderhoudsteams bereiken de bestuurlijke tafel niet altijd in hun oorspronkelijke vorm. En wanneer inclusiviteit ontbreekt, bestaat het risico dat besluitvorming vooral plaatsvindt vanuit het perspectief van de eigen organisatie, terwijl de belangen van gebruikers, omwonenden of kwetsbare groepen onvoldoende worden meegenomen.

Juist complexe afwegingen rondom veiligheid, duurzaamheid, leefbaarheid en maatschappelijke impact vragen om een omgeving waarin mensen zich vrij voelen om risico’s bespreekbaar te maken, aannames ter discussie te stellen en bestuurders tegen te spreken wanneer dat noodzakelijk is.

Misschien begint sociale waarde daarom niet bij de asset en misschien zelfs niet bij de gebruiker. Misschien begint zij bij de kwaliteit van de gesprekken die voorafgaan aan een besluit.

Want hoe kunnen organisaties maatschappelijke waarde beschermen wanneer de  omstandigheden ontbreken om die waarde open, eerlijk en inclusief te bespreken?

Dat maakt sociale veiligheid daarom niet alleen een bedrijfswaarde naast de andere bedrijfswaarden. Misschien is zij de voorwaarde waaronder alle andere bedrijfswaarden überhaupt bespreekbaar worden.

Niet alleen buiten de organisatie, maar juist ook daarbinnen.

Bron afbeelding: NU.nl