Verouderde infrastructuur: de vervangingstsunami is een keuze!

Wanneer budgetten tekortschieten voor het onderhoud van verouderde infrastructuur — zoals bruggen, wegen en tunnels — ontstaat een zorgwekkend scenario. Er lijkt een enorme golf aan vervangingsopgaven op ons af te komen. Dat klinkt onheilspellend, maar de vraag is of deze “vervangingstsunami” wel echt onvermijdelijk is.

In dit artikel verken ik waarom massale, simultane vervanging niet per se hoeft plaats te vinden, als we infrastructuur niet benaderen als een verzameling tijdbommen maar als een dynamisch systeem dat op basis van risico, toestand en levensduurkosten wordt gestuurd. Met deze assetmanagementbenadering wordt ook duidelijk welke randvoorwaarden dan écht op orde moeten zijn.

Ontwerplevensduur-mythe

Het impliciet sturen op ontwerplevensduur: een brug is voor 50 jaar ontworpen, een leiding voor 80 jaar maakt dat deze ontwerpleeftijd in de praktijk al snel wordt gelezen als vervaldatum, met een vervangingslabel wanneer die datum nadert.

Technisch en statistisch klopt dat beeld niet. Ontwerplevensduur is een conservatieve ontwerp-aanname, gebaseerd op veronderstelde belastingen, materiaalgedrag en omgevingscondities, met veiligheidsmarges. In de praktijk wijken die veronderstellingen vaak af. Zowel ongunstig als meevallend. Bijvoorbeeld:

  • Verkeersintensiteit en aslasten blijken lager of hoger dan gedacht.
  • Het omgevingsklimaat en de mate van bijvoorbeeld corrosie wijken af (stedelijk, kust, industrieel).
  • Werkelijke detailkwaliteit en onderhoud verschillen per object.

Het gevolg is dat bij het bereiken van de ontwerplevensduur sommige assets feitelijk nauwelijks veiligheidsmarge over hebben, terwijl andere nog substantiële restcapaciteit hebben. Een uniforme vervangingsgolf gebaseerd op leeftijd negeert die spreiding, en leidt óf tot onnodig vroeg vervangen, óf juist tot te laat ingrijpen bij de echte probleemgevallen.

Leeftijd blijft zeer relevant als indicator, maar is zonder context ook een slechte beslisregel. Wie alleen naar bouwjaar kijkt, creëert eerder een financiële tsunami dan een programma dat zorgt voor een veilige en beschikbare infra.

Van levensduurdenken naar risicogestuurd assetmanagement

Wanneer risico en prestatie centraal wordt gezet in plaats van de kalender creëren we een alternatief. Namelijk het reduceren van acuut falen én het verhogen van de gemiddelde vervangingsleeftijd zonder te hoge risico’s te introduceren. Grofweg betekent dat een juiste invulling aan de volgende bouwstenen:

  • Een geformaliseerd assetmanagement proces waarin assets zijn/worden geïnventariseerd, de prestaties helder zijn afgesproken en waar risico’s inzichtelijk zijn en worden bijgehouden om besluiten systematisch te kunnen onderbouwen. Een belangrijke voorwaarde daarbij is het hebben én gebruiken van een goedgekeurde bedrijfswaardenmatrix  / risicomatrix. Dit is het instrument om de keuzes af te wegen.
  • Toestandsafhankelijk- en risicogestuurd onderhoud moet onderdeel zijn van de organisatie. Met inspecties, monitoring en data-analyse om de werkelijke degradatie te volgen en goede inschattingen te kunnen maken van de restlevensduur. In plaats van een grote onderhoudsopgave om een vastgestelde hoeveelheid jaar wordt de vraag: “wat is de toestand/conditie, wat is het faalmechanisme en wat is het risico bij uitval?” Dit is het domein van o.a. de maintenance- en reliability engineers.
  • Life Cycle denken om kosten over de gehele levenscyclus door te rekenen en ook om risico’s over de levenscyclus inzichtelijk te maken. Inclusief scenario’s voor levensduurverlengende maatregelen, uitgestelde vervangingen en bewust afwijkende en geaccepteerde risicoprofielen per object(type) of gedeelte van een netwerk.
  • Optimalisatie van de portfolio zodat beslissingen niet object voor object worden genomen maar op portfolioniveau. Zo kunnen vervangingsopgave worden gespreid, geprioriteerd en afgestemd op beschikbare middelen, capaciteit en risicoacceptatie.
De tsunami voorkomen

De kern van de “tsunami vraag” is: “heb je straks in één keer heel veel assets tegelijk die je moét vervangen, of kun je de vervangingsvraag temporiseren en verlagen?”

Met levensduurverlengende maatregelen kan je in veel gevallen langer exploiteren. Door preventief en toestand afhankelijk onderhoud, gerichte versterking en monitoring kan de effectieve levensduur van veel assets 10+ jaar boven de ontwerplevensduur uitkomen. Bijvoorbeeld door:

  • Kathodische bescherming en betonreparatie bij bruggen.
  • Vervanging van lagers, voegen en deklaag in plaats van totale sloop.
  • Retrofitten van staalconstructies met extra stijfheid of sterkte.
  • Beperken van belastingen (snelheidsverlaging, aslastrestricties).
  • Relinen van leidingen en rioleringen.

Dergelijke interventies kunnen de noodzaak tot dure reconstructies jarenlang uitstellen, terwijl de toestand boven een vooraf geaccepteerd minimaal niveau blijft.

Zelfs als een groot deel van het areaal in dezelfde bouwperiode is gerealiseerd (klassiek bij naoorlogse uitbreidingsgolf), hoeft dat niet automatisch tot een scherpe vervangingspiek te leiden. Met portfoliosturing kun je kritieke assets (hoog gevolg bij falen) eerder vervangen of versterken terwijl de niet-kritieke assets bewust later vervangen worden, mits de risico’s beheerst zijn. Maar ook vervangingen slim bundelen om de hinder in het publieke domein te beperken en kostenvoordeel te halen.

Levensduurverlenging zorgt eigenlijk voor extra rek in de tijd voor een groep assets zodat je niet alles rond dezelfde periode hoeft te vervangen terwijl de kans op grote faalincidenten kleiner wordt.

Wanneer is uitstel verantwoord?

Uitstellen of verlengen zonder stevige randvoorwaarden is uitstel van executie. Er zijn daarom randvoorwaarden nodig. Heldere risicogrenzen en expliciete “no‑go’s” vormen het morele en professionele kompas van assetmanagement. Ze geven aan welk veiligheidsniveau en welke betrouwbaarheid je als organisatie minimaal wilt garanderen, ongeacht begroting, politieke druk of operationele hectiek. In plaats van een grijs gebied van “het gaat nog net goed” leg je vooraf vast waar de grens ligt: tot hier en niet verder. Dat begint met het definiëren van concrete, meetbare criteria. Voor civiele objecten kunnen dat bijvoorbeeld maximale vervormingen, scheurwijdten, restwanddiktes of doorbuigingen zijn, maar ook prestatie‑indicatoren als maximale storingsfrequentie of minimale beschikbaarheid. Die criteria worden vertaald in drempelwaarden die niet alleen technisch zijn, maar ook bestuurlijk gedragen: bestuur en beheer spreken expliciet af welk restrisico aanvaardbaar is en wat dus níet meer mag worden geaccepteerd.

In de praktijk betekent dit dat je voor elke assetcategorie vastlegt welke condities nog “normaal”, “zorgelijk” en uiteindelijk “onaanvaardbaar” zijn. Zolang een object binnen de aanvaardbare bandbreedte blijft, kun je spelen met verschillende onderhoudsstrategieën, levensduurverlengende maatregelen en prioritering in het programma. Maar zodra een grens wordt overschreden, verdwijnt die speelruimte: dan treedt een vooraf gedefinieerd handelingsperspectief in werking. Dat handelingsperspectief is de vertaling van je no‑go’s. Het kan betekenen dat een brug onmiddellijk wordt afgesloten voor zwaar verkeer of helemaal wordt gestremd, dat een tunnel direct een beperkter veiligheidsregime krijgt, of dat een kunstwerk versneld in een vervangings- of versterkingsproject wordt opgenomen. De kern is dat die reactie niet afhankelijk is van de toevallige moed of risico‑acceptatie van een individuele beheerder, maar volgt uit van tevoren afgesproken regels.

No‑go’s zijn daarmee de harde ankers in een verder vrij adaptieve en risicogestuurde aanpak. Zonder zulke ankers dreigt een glijdende schaal: iedere keer dat het met een “randgeval” weer net goed gaat, schuift de organisatie ongemerkt haar risicogrenzen op. Zeker bij budgetdruk is de verleiding groot om “nog één jaar” te wachten met een ingreep, zeker als de risico’s abstract of moeilijk communiceerbaar zijn. Door expliciet vast te leggen welke combinaties van toestand, faalkans en gevolg níet meer acceptabel zijn, bescherm je jezelf tegen die verleiding. Je creëert een veiligheidsnet dat niet alleen technisch, maar ook bestuurlijk en maatschappelijk uitlegbaar is.

Transparantie

Heldere risicogrenzen veronderstellen bovendien transparantie. Ze vragen om goede monitoring, betrouwbare inspecties en inzichtelijke rapportages; anders weet je simpelweg niet of je de grens nadert. Het gesprek over risico’s verschuift dan van vage termen als “oud”, “matig” of “het zal wel loslopen” naar concrete scores, scenario’s en kaarten. Dat maakt het mogelijk om bestuurders, gebruikers en omgeving mee te nemen in soms impopulaire besluiten: een brug afsluiten, een zware maatregel naar voren halen, of juist elders geld weghalen om een “no‑go” te adresseren. Juist doordat de grenzen vooraf zijn vastgelegd, kan de assetmanager laten zien dat hij niet vanuit buikgevoel handelt, maar vanuit afgesproken publieke waarden.

In relatie tot de angst voor een vervangingstsunami spelen risicogrenzen en no‑go’s een dubbele rol. Aan de ene kant begrenzen ze terecht hoeveel er kan worden geschoven en gerekt: levensduurverlenging mag nooit betekenen dat bewust voorbij wordt gegaan aan veiligheidsnormen. Aan de andere kant geven ze juist de ruimte om binnen veilige marges wél te differentiëren en te temporiseren. Een object dat nog ruim binnen de grens zit, mag later komen; een object dat tegen een no‑go aanzit, mag niet langer worden doorgeschoven. Zo vormen heldere risicogrenzen niet alleen een rem op onverantwoord uitstel, maar ook een legitimatie om de vervangingsgolf doelbewust te spreiden zonder aan veiligheid in te boeten.

Praktijkperspectief

In de praktijk is werken met verouderde infrastructuur minder een technisch vraagstuk dan een organisatievraagstuk. De techniek is in grote lijnen beschikbaar: we weten hoe we toestand moeten meten, degradatie kunnen modelleren en risico’s kwantificeren. In de dagelijkse werkelijkheid van een infrabeheerder gaat het echter om het omgaan met onzekerheid, politieke druk, beperkte budgetten en een organisatiecultuur die vaak nog sterk project- en incident-gedreven is. Daar ontstaat de spanning tussen de abstracte “vervangingsgolf” op papier en de concrete beslissingen over één brug, één wegvak, één budgetjaar.

Een praktijkperspectief begint daarom bij de vraag: “hoe volwassen is de organisatie in assetmanagement?” In een organisatie die nog vooral reagerend werkt, zie je dat onderhoud en vervanging vooral worden gedreven door storingen, incidenten of stand-alone projecten. De vervangingsvraag blijft impliciet, de risico’s zijn versnipperd over dossiers en begrotingsposten, en ieder jaar worden er “noodzakelijke investeringen” doorgeschoven naar volgende coalities. De angst voor een vervangingstsunami groeit in zo’n context juist, omdat er geen helder en gedeeld beeld is van wat er werkelijk op de organisatie afkomt. Elk incident wordt dan ervaren als bewijs dat “alles op instorten staat”, terwijl er tegelijkertijd geen structuur is om gericht te prioriteren.

Serieuze verankering van assetmanagement

In organisaties die assetmanagement serieuzer hebben verankerd, verandert het gesprek. Daar worden objecten niet meer los gezien, maar als onderdeel van een objectportfolio met een duidelijk risicoprofiel en een doorkijk in tijd. Managers kijken niet alleen naar de staat van één brug, maar naar de functie in het netwerk, de beschikbaarheid van omleidingsroutes, de economische en maatschappelijke impact van uitval en de mogelijkheden om met tijdelijke maatregelen tijd te kopen. Data-gedreven inzicht maakt het mogelijk om genuanceerd te praten over restlevensduur, onzekerheidsbanden en scenario’s: wat gebeurt er als we twee jaar uitstellen, wat als we juist vervroegen, welke andere maatregelen zijn denkbaar? Strategische kapitaal planning zorgt er vervolgens voor dat die inzichten worden vertaald naar een meerjarig, financieel haalbaar programma dat je kunt uitleggen aan bestuurders én omgeving.

Op dat niveau zie je ook dat de vervangingstsunami haar absolute karakter verliest. Het wordt duidelijk welke objecten echt op korte termijn niet meer kunnen worden uitgesteld, welke onder voorwaarden nog tien jaar verantwoord door kunnen en waar bundeling van ingrepen slim is. De focus verschuift van de vraag “hoe oud is het areaal?” naar “waar zit ons onaanvaardbare risico en hoe kopen we tijd waar het kan?”. De praktijk leert dat dit vaak leidt tot een gemengd palet aan maatregelen: hier versneld vervangen, daar levensduurverlenging inzetten, elders de functie aanpassen of een alternatieve route versterken. Het resultaat is geen idyllisch vlak budget, maar wel een vervangingsgolf die herkenbaar, gepland en stuurbaar is.

Geen natuurverschijnsel

De gevreesde vervangingstsunami is geen onafwendbaar natuurverschijnsel, maar het gevolg van organiseren, sturen en communiceren. Waar risicogrenzen helder zijn, data op orde is en kapitaal planning echt strategisch wordt ingezet, verandert het beeld: dezelfde verouderende infrastructuur is dan niet langer een dreigende muur van uitgestelde vervanging, maar een lange, golvende opgave waarin bewuste keuzes risico’s verlagen of accepteren om zo tijd te winnen. De technische uitdagingen blijven groot, maar het verschil tussen een crisis en een beheersbaar traject wordt uiteindelijk gemaakt in de bestuurskamer en de werkprocessen van de beheerder, niet in het beton of de staalconstructie zelf.

Gemini afbeelding over artikel

Europa en BRICS assetmanagement voor existentieel behoud

Een jaar gelden beschreef ik een controversieel gedachtenexperiment naar aanleiding van de positie die de VS heeft ingenomen in een veranderende geopolitieke wereldorde. Het artikel van 27 januari 2025 draagt de naam Europa en BRICS assetmanagement voor strategische leiderschap.

Het is fascinerend om te zien hoe snel een gedachte-experiment kan veranderen in een geopolitieke noodzaak. Gezien de ontwikkelingen van het afgelopen jaar is mijn stelling dat Europa een vorm van “Asset Management” moet toepassen op zijn relatie met BRICS+. Dat is niet langer controversieel, maar eerder de enige route naar overleving als relevant machtsblok.

De realiteit heeft de these ingehaald: Europa zit klem tussen een protectionistisch Amerika (“America First” is in 2025 verhard) en een assertief China, terwijl het “Global South” (verenigd in BRICS+) de grondstoffen controleert.

De Logische Verklaring: Van ‘Buffer’ naar ‘Hedging’

De logica is simpel: diversificatie (bedoeld als verschillende disciplines) is de basis van elk goed asset management. Europa heeft decennialang een portefeuille gehad met een afhankelijkheid van de VS voor veiligheid en goedkope energie uit Rusland dat inmiddels is afgeschreven. De VS is een onbetrouwbaardere partner geworden door eenzijdige handelstarieven, isolationisme – ook voor de VN – en openlijke dreiging tot annexatie van notabene een VN bondgenoot. De grondstoffenmarkten worden gedomineerd door BRICS-leden. De enige logische conclusie is dat de oude “portfolio” giftig is geworden.

Om “Strategisch Leiderschap” te tonen, moet Europa zijn exposure hedgen. Niet door de VS te dumpen (dat is suïcidaal), maar door BRICS+ niet als vijand, maar als een alternatief om transactioneel mee te handelen en zo toegang te houden tot energie, mineralen en groeimarkten. Als Europa nu op dezelfde oude manier doorgaat (alleen maar kijken naar de VS en het Westen), loopt het vast. De spullen die Europa nodig heeft om te overleven – zoals olie, metalen voor batterijen en chips – liggen namelijk in de magazijnen van de BRICS-landen. BRICS is niet “de vijand”, maar een andere supermarkt waar je nu eenmaal naartoe moet omdat zij de spullen hebben die jij nodig hebt. Dat is geen verraad, dat is puur zakelijk overleven. Bovendien zou deze positie de oorlog tussen Rusland en Oekraïne in een ander daglicht kunnen zetten.

Actieve diversificatie

In dit scenario stopt Europa met het moraliserende vingertje richting het globale zuiden en start het met een pragmatische, op belangen gebaseerde relatie met de BRICS-landen, los van de Amerikaanse agenda. Daar zijn goede redenen voor.

  • Grondstoffenzekerheid: BRICS+ controleert in 2026 circa 45% van de olieproductie en een dominant deel van de zeldzame aardmetalen (nodig voor Europa’s groene transitie). Directe deals zonder tussenkomst van de Dollar (de-dollarization trends) verlagen de kosten en leveringsrisico’s.
  • Strategische Autonomie: Door niet blind de VS te volgen in sancties of handelsblokkades tegen derde partijen (denk bijvoorbeeld aan ASML), herwint Europa zijn soevereiniteit. Het wordt een “derde pool” in plaats van een vazalstaat.
  • Toegang tot Groei: BRICS-landen hebben de demografie en de groeicijfers. Europa moet haar kapitaal alloceren daar waar groei is.

Er zijn natuurlijk ook risico’s die onderkent moeten worden.

  • Veiligheidsrisico’s: De VS kan dit zien als verraad en de veiligheidsgarantie (NAVO) afzwakken of economische strafmaatregelen (secundaire sancties) opleggen. Dit is een enorm “staartrisico”. Waarvan inmiddels wel duidelijk is dat de VS zich op dit moment niets van de NAVO aantrekt.
  • Interne Fragmentatie: Lidstaten zijn verdeeld. Polen en de Baltische staten leunen zwaar op de VS (security), terwijl Frankrijk en Hongarije openstaan voor strategische autonomie. Dit kan de EU verlammen.
  • Reputatie & Waarden: Samenwerken met regimes die haaks staan op de Europese waarden (mensenrechten, democratie) kan leiden tot interne maatschappelijke onrust en verlies van aantrekkingskracht.
De urgentie om door te pakken is extreem hoog

De geopolitieke werkelijkheid is zo turbulent dat afwachten geen optie is. Er wordt momenteel hard gewerkt aan alternatieve betaalsystemen (o.a. de “BRICS Bridge” om SWIFT te omzeilen). Als Europa hier niet op aangesloten is, verliest het in no-time zijn financiële relevantie en zet zichzelf daarmee nog verder achterop. Tel daarbij op dat de VS aanstuurt op een ontkoppeling van China. Voor Europa is dat economische zelfmoord en toch doet Europa hier aan mee – bijvoorbeeld door protectionisme van de eigen auto-industrie. In mijn beleving een strategische blunder. Europa moet nu risico’s gaan afbouwen door een eigen koers te varen om niet meegesleurd te worden in een conflict dat niet het hare is. Want zonder directe toegang tot BRICS-grondstoffen blijven de energie- en productiekosten in Europa structureel hoger dan in de VS en Azië, wat leidt tot een toename van bedrijven die vertrekken uit Europa.

Strategie kiezen

Assetmanagement gaat om het maken van keuzes onder onzekerheid. Grofweg zijn er voor dit artikel twee keuzes.

Keuze A: handhaven van de status quo

Keuze B: actief de relaties met BRICS+ verbeteren en onderhouden

  1. Het grondstoffen dilemma. De energietransitie is metaal-intensief. BRICS+ controleert de mijnen, de verwerking én de export van lithium, kobalt en koper.
    • Keuze A dwingt Europa om deze grondstoffen via dure tussenhandelaren of “vriendelijke” maar duurdere bronnen te kopen. Dit is inefficiënt asset management (te hoge kostenbasis).
    • Keuze B stelt: “Koop daar waar de asset is.” Door politiek neutraal te blijven, houdt Europa zijn fabrieken open.
  2. De Groei-Paradox (Market Exposure). De G7 vertegenwoordigt een krimpende demografie. De BRICS+ vertegenwoordigt de demografische toekomst. Een vermogensbeheerder die 100% van zijn kapitaal in een krimpende markt stopt, wordt ontslagen.
    • De logica dicteert dat Europa zijn exposure naar het zuiden moet vergroten, niet vanuit ideologie, maar vanuit rendement. Dat kan dus enkel keuze B zijn.
  3. Veiligheid. Het enige te bedenken punt waar keuze B een enorm neerwaarts risico kent.
    • Als Europa economisch vreemdgaat met BRICS, kan de VS de huur opzeggen. Feit is dat de VS dit op dit moment al aan het doen is, doch tenminste de huur enorm heeft verhoogd.
    • Om keuze B te laten werken, moet Europa eerst militair autonoom worden. Zolang de EU militair aan het infuus van de VS ligt, is economische onafhankelijkheid een gevaarlijke gok.
Onontkoombare conclusie

Als het gedachtenexperiment van vorig jaar nu als beleidsstuk zou worden ingediend, is de conclusie onontkoombaar:

Keuze A is een strategie van gegarandeerde langzame verarming. Het is “managed decline”. Je minimaliseert politieke frictie met de VS, maar accepteert structureel hogere energiekosten , verlies van afzetmarkten en verarming.

Keuze B is een strategie van hoge volatiliteit én een hoog rendement. Het vereist stalen zenuwen (diplomatiek koorddansen tussen Washington en Beijing), maar het is de enige route waarbij Europa in 2035 nog een relevante wereldmacht is.

De urgentie is maximaal. Waarom? Omdat de infrastructuur van de nieuwe wereldorde (betaalsystemen, handelsroutes zoals de International North-South Transport Corridor) nu wordt vastgelegd. Als Europa nu niet instapt als partner, wordt het over 5 jaar buitengesloten. Om nog maar te zwijgen over het achter de feiten aanlopen wat betreft de handelswijze van de VS. Wachten op een betere uitslag van nieuwe verkiezingen aldaar is wishful thinking.

Bovengronds vs. Ondergronds: De Wereldwijde Netwerkafweging

Vanmorgen stuurde een Fierkracht collega onderstaande foto vanuit Laos. Toen ik de foto in mij opnam was de primaire reactie: “wat een zooitje.” Naar Nederlandse maatstaven is dat ook zo. Hier gaan binnen de bebouwde kom de kabels onder de grond en worden vaak hoogspanningsmasten gebruikt daarbuiten voor het overbruggen van lange afstanden.

Laos voorbeeld van elektriciteitsknooppunt
Foto: Erik Hogervorst; Laos elektriciteitsnetwerk kwetsbaarheid voor wind, regen, dieren, en brandrisico’s

Laos exporteert heel veel elektriciteit naar buurlanden als Thailand, Vietnam en Cambodja. Deze energie-export vraagt een hogere kwaliteit van het hoogspanningsnetwerk en is in de regel ook betrouwbaar. Het is een politieke keuze omdat Laos heel veel waterkrachtcentrales heeft gebouwd en de export van elektriciteit goed is voor een aanzienlijk deel van het BBP .

De betrouwbaarheid van de elektrische distributienetten voor de binnenlandse markt in Laos is daarentegen duidelijk lager dan in West-Europese landen. Om dit op te vangen hebben de belangrijke faciliteiten in steden veelal generatoren om stroomuitval op te vangen. Dit is een logische maatregel die overigens ook bij belangrijke Nederlandse faciliteiten wordt genomen. Naast de hoeveelheid storingen die bovendien in de regenperiodes nog vaker voorkomen, heeft Laos ook last van grote spanningsschommelingen. Mede veroorzaakt door illegaal aftappen

Ontwerpprincipes

De opzet en ontwerpprincipes van de elektriciteitsnetten in Laos zijn vermoedelijk een bewuste keuze. Bovengronds brengt dan weliswaar extra risico’s met zich mee tijdens periodes van regen en stormen, ondergronds zal er weinig tot geen schade ontstaan. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Nederland. Hier wordt meer dan een kwart van de storingen aan het elektriciteitsnet veroorzaakt door graafschade. De Nederlandse infrastructuur onder de grond is een wirwar aan kabels, leidingen, buizen, rioleringen. Een graafschade is tijdens bouw- en onderhoudswerkzaamheden zo gemaakt, zeker in drukke stedelijke gebieden.

Ook de grondsamenstelling kan een rol spelen. Grondsoorten als veen en klei veroorzaken indirect storingen door bodemdaling en verzakking als gevolg van ontwatering en inklinking.

Toegegeven, ondergronds is esthetisch veel aantrekkelijker dan bovengronds. De kosten voor deze esthetische waarde maakt de elektrische infra al snel een factor 3 duurder qua aanleg. Maar ook qua onderhoud is bovengronds makkelijker toegankelijk voor inspectie en reparatie. Ook noodvoorzieningen zijn makkelijker te realiseren. Bovengronds zorgt ook voor een hoger transportvermogen omdat bovengrondse kabels hun warmte makkelijker kwijt kunnen.

netwerkafweging

Terug naar Laos, dit is een land waar aardbevingen vaker voorkomen. De voorkeur voor bovengronds in seismische gebieden is een ontwerpprincipe dat wordt toegepast in regio’s die zwaar getroffen kunnen worden. Bovengrondse aanleg maakt sneller herstel mogelijk. Maar de overwegingen in Laos zijn primair ingegeven door kostenoverwegingen.

Het is dus afhankelijk van waar je je in de wereld bevindt om een afweging te maken. De afweging tussen bovengronds (goedkoper, sneller te repareren, beter bij grondverschuiving) en ondergronds (beter beschermd tegen weer en wind, geen visuele vervuiling). Waarbij bovengrondse lijnen vaak het voordeel krijgen zodra de leidingen lange afstanden overbruggen buiten de dichtstbevolkte gebieden. Beide brengen risico’s met zich mee en mitigeren weer anderen. De keuze zal dan allicht afhangen van de bedrijfswaarden welke door de risico’s worden geraakt.